Skip to main content

Begraafplaatsen


Geschreven: 13 juli 2003
Aangepast: 07 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Fryslân

 

* Britsum, maart 1641 - † Den Haag 17 maart 1704

 

Tegen de bosrand van het voormalig lusthof Meerenstein van Menno van Coehoorn ligt op een verhoogd kerkhof de hervormde kerk van Wyckel (Friesland). Een robuuste toren met zadeldak rest van wat ooit een veertiende eeuwse kruiskerk was. Nu zoekt een zeventiende eeuwse zaalkerk als het ware bescherming bij de machtige toren, uit wiens galmgaten de sonore klanken komen van een luidklok uit 1388. De tekst op de klok maakt ons duidelijk, dat we te maken hebben met een kerk gewijd aan Sint Gregorius. Gregorius de Grote, later bekend als Sint Gregorius, was paus van 590 tot 604. Hij stichtte zeven kloosters, die je wel vestingwerken van geestelijk leven kunt noemen. Gregorius was het ook, die de basis legde voor de wereldlijke macht van het Pausdom.

Grafmonument Menno van CoehoornIn de kerk van Wyckel, gewijd aan deze stedehouder van Christus op aarde, bevindt zich het praalgraf van Menno baron van Coehoorn, dienaar van de stadhouder der Republiek. Een marmeren praalgraf naar het ontwerp van Daniël Marot (1663-1752), uitgevoerd door de Amsterdamse beeldhouwer Pieter van der Plas (1647-1708).

Op een zwartmarmeren sarcofaag, versierd met een in reliêf gebeeldhouwde belegeringsscène, ligt de krijgsman te midden van een aantal krijgsattributen. Achter hem een rood geaderd marmeren obelisk met banieren en het in 1795 zwaar beschadigde familiewapen.

Voor de sarcofaag een omfloerst schild met opschrift, waarvan een oudhollandse vertaling van de Latijnse tekst luidt:

"Ter gedachtenisse van den hoogadelen, dapperen,vroomen, gelukkigen en manhaften Veldheere,

MENNO baron VAN COEHOORN

Lieutenant-generaal van het voetvolk, gouverneur van Staats-Flaanderen en de sterkten aan de Schelde; vanwegens hun hoogmogende de Staaten der Verenigde Nederlanden, opperbestierder van de werken en vestingen, beneffens het geschut en verdere krygsgereedschap; die de hoogste eerbewyzen en Detail grafmonumentbelooningen van dapperheid, hem door de grootste vorsten van Europa op gedraagen, minder schattende dan zyn vaderland, hetzelve 47 achtereenvolgende jaaren in de kryg heeft gediend, en na het doorworstelen van zoveel arbeid en moeite, hoogbejaard en overlaaden met krygseere, Godzaliglyk in Christus ontslaapen is, op den 17 van Lentemaand des jaars 1704, in het 63-ste jaar van zynen ouderdom, hebben kinders, aan dien besten der vaderen grootelyks verpligt, en door zyn afsterven hartelyk bedroefd, dit Gedenkteken ter plaatse zyner begraavenisse opgericht en toegewijd."

Wie dit schild nader beschouwd, ontdekt dat de adellijke titel is weggekrast. Dit op last van de Franse overheid in 1795.

 Toestand van het grafmonument

In 1982 onderzocht de architect J.W.C. Besemer het grafmonument en concludeerde destijds dat het grafmonument hard aan restauratie toe was. Naast vuilophoping was het duidelijk dat in het verleden vaak water was gebruikt bij het schoonmaken. Dit heeft roestvorming veroorzaakt aan de aanwezige verankering. Ook een nogal hardhandige wijze van verwijderen van spinrag met een ragebol had schade veroorzaakt aan kleine, fragiele onderdelen van het monument. In de loop der tijd waren ook diverse reparaties aan het monument uitgevoerd, niet altijd op professionele wijze. Het grafmonument is verankerd aan de muur van de koorsluiting met behulp van smeedijzeren ankers. Besemer zag in 1982 dat jarenlange lekkages sterke corrosie hadden veroorzaakt aan deze ankers. De uitzetting die daarmee gepaard ging, veroorzaakte zelfs scheuren in de muren. Samen met zettingsscheuren van de muur door funderingsproblemen leverde dit een zeer ongunstig beeld op. Naast deze problemen constateerde Besemer ook dat de vochtproblemen hadden geleid tot het uittreden van kalk- en steenzouten op het monument zelf. Daardoor trad onder andere aan de roodmarmeren onderdelen van de obelisk een sterke verwering op.

GrafmonumentKort na 1982 zijn de lekkages verholpen en bij de restauratie van de kerk is de muur en de verankering van het monument hersteld. Daarmee waren echter de problemen van de fundering van het monument nog niet opgelost. Ook daarover rapporteerde Besemer al in 1982. De fundering was volgens Besemer aangebracht op een vaste ondergrond hetgeen volgens hem zou kunnen wijzen op een meer omvangrijke fundering of zelfs een overwelfde kelder. Sporen van een kelderingang of van een luik vond Besemer echter niet en ook bij de latere restauratie zijn daarvoor geen aanwijzingen gevonden. Het gewicht van het gehele monument werd door Besemer geschat op 5 à 6 ton, en hoewel deels verankerd aan de muur, rust dit gewicht grotendeels op een fundering waarvan de omvang en constructie onbekend zijn. Het monument scheen destijds geen druk uit te oefenen op de fundering van de kerkmuren zelf, maar wel op de eigen fundering. Hierdoor was het monument aan de linkerzijde verzakt zodat onderdelen onder druk kwamen te staan.

Bij de latere restauratie is grote aandacht besteed aan de fundering van de kerk en zijn de zettingscheuren en de verankering, zoals gezegd, hersteld. De suggestie van Besemer om daarbij ook de fundering van het grafmonument van Menno van Coehoorn te verbeteren is daarbij waarschijnlijk niet uitgevoerd. Vandaag de dag is voor een eenieder goed te zien dat er aan de linkerzijde schade optreedt aan de marmeren pootjes van de sarcofaag waar de gisant van Menno van Coehoorn op ligt.

Wie was deze Menno van Coehoorn?

Hij werd geboren in 1641 als zoon van een beroepsmilitair. Zijn vader had de rang van kapitein. Menno liet al snel blijken in de voetsporen van zijn vader te willen treden, kreeg onderricht in het krijgswezen en studeerde wiskunde en vestingbouwkunde aan de hogeschool te Franeker. Op negentienjarige leeftijd was hij al kapitein bij een infanterieregiment. Bij de inname van Maastricht tijdens de oorlog 1672-1678 door de Fransen raakte Menno ernstig gewond, maar vocht weer mee in de slag bij Seneffe en werd kort daarop bevorderd tot majoor. Bij de belegering van Grave, waaraan hij deelnam, ontmoette hij stadhouder Willem III. Op hem maakte hij indruk door zijn uitvinding van de Coehoornmortier. Een draagbaar stuk geschut, dat zeer bijdroeg aan de vuurkracht van de infanterie. Van infanterist ontwikkelde hij zich tot artillerist en ingenieur. Voorstander van verrassingsaanvallen ook als er een vesting te verdedigen was, hield hij zich steeds meer bezig met theorieën over vestingbouw. In 1682 verscheen zijn eerste publicatie op dit gebied, drie jaar later gevolgd door: Nieuwe vestingbouw op een natte of lage Horisont. Het systeem van verdediging, dat hij presenteerde, werd bekend als het Nieuw-Nederlands stelsel.

Groot respect genoot Van Coehoorn bij zijn tegenstanders. Toen tijdens de Negenjarige Oorlog Namen door de Fransen werd ingenomen en zo werd versterkt, dat het niet meer in te nemen zou zijn, werd een fort uit respect voor de Nederlandse vestingbouwer Coehoorn genoemd. Maar Namen werd heroverd en Van Coehoorn's optreden daar bezorgde hem bevordering en de titel van baron. Als ingenieur-generaal van de fortificatiewerken stond Van Coehoorn voor een geweldige uitdaging. Een nieuwe oorlog met de Fransen lag in het verschiet. De grenzen van de Republiek moesten veilig worden gesteld. Het eerste wat hij deed was een soort Dienst van Genie opzetten, die werd ingezet voor het werk, dat moest worden uitgevoerd. Steden werden versterkt volgens zijn inzichten. Waar niet geïnundeerd (onderwater-zetting) kon worden, werden forten gebouwd. Tijdens al die werkzaamheden brak in 1702 de Spaanse Successieoorlog uit. De Fransen rukten op naar de Republiek, maar Van Coehoorn's werk was niet vergeefs geweest, ze werden tegengehouden en teruggeslagen.

In 1704 stierf Menno baron van Coehoorn een natuurlijke dood. Aan weerszijden van het praalgraf van Menno van Coehoorn treffen we grafstenen aan van Menno's zonen Hendrik Casimir (overleden in 1756) en Gozewijn Theodoor (overleden in 1736). En stenen voor een schoonzoon van Gozewijn Theodoor van Coehoorn, Frederik Willem van Limburg Stirum (overleden in 1747) en Menno's dochter Geertruyd Alegonde (overleden in 1737). 

 

Literatuur

  • Monumenten in Nederland Fryslân, Rijksdienst voor de monumentenzorg; Zwolle (2002)
  • De Herv. kerk te Wyckel, uitgave Hervormde Gemeente (z.j.)
  • Vestingen in Nederland, ANWB (1998)
  • Kunstreisboek voor Nederland, Amsterdam (1969)
  • Kijken naar Monumenten in Nederland (2e boek), Rijksdienst Monumentenzorg, (1982)
  • Beeldengids Nederland, Mirjam Beerman e.a.; Rotterdam (1994)
  • Rapport Algemene toestand van het grafmonument, ing. J.W.C. Besemer, 1982

 

 


Geschreven: 09 november 2002
Aangepast: 25 juli 2022
Auteur: Mariëtte Kamphuis
Categorie: Zuid-Holland

 

De Rotte, Rotterdams oude levensader, werd vanaf 1832 ook de aangewezen route voor de laatste tocht van de Rotterdammers naar de Algemene Begraafplaats Crooswijk. Eeuwenlang waren de doden in en rond de kerken begraven, maar in 1827 werd het begraven binnen de bebouwde kom bij Koninklijk Besluit verboden. Rotterdam moest een geschikte plaats vinden voor een buitenbegraafplaats. Stadsarchitect Pieter Adams (1778-1846), kreeg de verantwoordelijkheid over het ontwerp van de nieuwe begraafplaats. Als locatie koos hij de buitenplaats 'het huis te Krooswijk' aan de Rotte, op ruim een kwartier afstand van de toenmalige stad.


Geschreven: 26 oktober 2002
Aangepast: 08 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Groningen

 

Gelegen naast de zuidelijke rondweg van de stad Groningen aan een zijweg van de Hereweg, die voert naar het zwembad de Papiermolen, ligt de rooms-katholieke begraafplaats van Groningen. Kantoorpanden aan de Hereweg onttrekken de begraafplaats aan het gezicht.

rkgedenksteenDoor een groot hekwerk binnengekomen, wordt de aandacht getrokken door een imposante klokkestoel, zoals men die op verschillende begraafplaatsen kan tegenkomen, midden op een groot groen gazon. Onder dit gazon bevinden zich de stoffelijke resten van diegenen, die begraven lagen in en om de oude Broerkerk, op de fundamenten waarvan de St. Martinus verrees, die op haar beurt plaats moest maken voor de bouw van de Universiteitsbibliotheek. De plek wordt gemarkeerd door een gedenksteen. De zerken uit de Broerkerk hebben een plek gekregen in de kelder van het Academiegebouw in Groningen.


Geschreven: 01 september 2002
Aangepast: 12 januari 2022
Auteur: R.P.M. Rhoen
Categorie: Utrecht

 

Inleiding

De Duitser Christoph Pleines (1857-1936), in 1901 werd hij tot Nederlander genaturaliseerd, richtte in 1889 in Amersfoort een zeepfabriek op. Nadat zijn fabriek in die stad in 1902 was afgebrand, begon hij in hetzelfde jaar nog opnieuw in Den Dolder. Toentertijd sprak men nog over 'aan den Dolderscheweg'. De gronden in Den Dolder had hij gekocht van de bankier A.A.H. Boissevain, eigenaar van de buitenplaats 'Prins Hendriksoord' te Lage Vuursche. De fabrieksterreinen c.a. besloegen een oppervlakte van tachtig hectaren. Het bedrijf fabriceerde zeeppoeder, zachte zeep, toiletzeep en huishoudzeep. Hij was de eerste fabrikant, die met zeeppoeder op de markt kwam. De productie bedroeg in 1914 15 miljoen pakjes van ¼ kg. Het bedrijf had in 1914 130 à 140 man personeel in dienst. Zijn gedeponeerd fabrieksmerk was 'De Duif'. De naam van zijn bedrijf luidde: 'Chr. Pleines stoom-zeepfabrieken'.

Het gebied waar Pleines zijn fabriek had opgericht, lag midden den op de heide en van enige bebouwing was toen nog geen sprake. Hier stichtte hij een nieuwe kolonie. Hij bouwde voor zichzelf aan de Dolderseweg een villa (gesloopt in 1962, Rh) en voor zijn arbeiders een twaalftal huizen (nu genummerd Pleineslaan 1-23, Rh), en een boerderij, 'Nieuw Transvaal' geheten, met een bakhuis erbij. Een panoramafoto uit 1914 laat een deel van de nieuwe kolonie zien. Voorts zorgde hij voor onderwijs voor de kinderen van zijn arbeiders. Hij verleende zijn medewerking aan de oprichting van een Christelijke school aan de Dolderseweg, die in 1906 werd geopend. Voorts liet hij een fabrieksruimte geschikt maken voor protestantse godsdienstbijeenkomsten, die op zondag werden gehouden. Hij was behalve een industrieel ook een echte filantroop. In een ambtelijk stuk uit 1922 wordt over wat hij in Den Dolder tot stand had gebracht het volgende vermeld: 'Grootsch, zoowel wat massaliteit der fabrieksgebouwen betreft, als aantal nevengebouwen, woningen en rianten aanleg der terreinen.' Over zijn persoon wordt gezegd: 'Gunstig [bekend], zoowel wat belooning en huisvesting van het personeel betreft, als zorg voor en verpleging van zieken, het geven van verloftijden, wintervoeding van de van elders komende arbeiders enz. Stakingen kwamen niet voor.' Als bijzonderheid staat in dat stuk nog vermeld: 'De opleving en bloei van een eertijds afgelegen en vrijwel onbewoond gedeelte der gemeente, is mede aan hare vestiging te danken geweest.' Men kan hem de stichter van het huidige Den Dolder noemen.

In 1909 ontving hij voor zijn fabriek het predikaat 'Koninklijk' en noemde hij zijn bedrijf 'Chr. Pleines, Koninklijke Zeepfabrieken'. In 1917 zette Pleines zijn bedrijf om in een naamloze vennootschap, de N.V. 'Koninklijke Zeepfabrieken de Duif'. Deze vennootschap verkocht in 1918 haar eigendommen aan de 'Koninklijke Stearine Kaarsenfabriek Gouda' te Gouda. De naam van de naamloze vennootschap werd gewijzigd in 'Zeepfabrieken de Duif, voorheen Chr. Pleines'. In 1922 werd aan deze vennootschap het predikaat Koninklijk verleend. Later werd deze naamloze vennootschap een onderdeel van het Unilever-concern. Pleines vertrok in 1918 uit Den Dolder. Eerst vestigde hij zich in Baarn, maar later in Schaan (villa 'Sophia') in het vorstendom Liechtenstein1.

Aanleg van de begraafplaats

Het nieuwe op de heide ontstane gehucht lag minstens anderhalf uur lopen van Zeist af. Pleines vroeg op 28 oktober 1903 aan het college van burgemeester en wethouders vergunning voor de aanleg van een begraafplaats aan de Dolderseweg. De afstand tot die weg bedroeg negen meter. Hij wilde de begraafplaats aanleggen op ongeveer 375 meter afstand van de huidige Pleineslaan in noordelijke richting. Het stuk grond dat hij daarvoor gereserveerd had, mat dertig bij dertig meter. Om de begraafplaats zou een ijzeren hek worden geplaatst. Hij wilde de begraafplaats aanleggen 'voornamelijk om eventueel zijn personeel of leden van zijn gezin, aldaar te begraven.' Verder schreef hij in die brief: 'Eventueel kunnen desgewenscht ook naburige bewoners op deze begraafplaats worden begraven n.l. tegen betaling van de daaraan verbonden werkelijke kosten.' Hij kreeg op 3 november al toestemming om op de door hem aangegeven plaats een particuliere begraafplaats aan te leggen. Enkele maanden later, op 1 februari 1904, verzocht hij het college van burgemeester en wethouders weer om een vergunning voor het aanleggen van een begraafplaats. Het terrein waar hij de begraafplaats nu wilde aanleggen, lag op circa 215 meter afstand van de twaalf arbeiderswoningen en de afstand tot de Dolderseweg bedroeg circa 358 meter. Het perceel grond was iets kleiner, namelijk 29 x 29 meter. Hij zegde toe het terreinen met een ijzerdraadhek te omrasteren. Waarom hij dit terrein wilde bestemmen 'om aldaar eventueel zijn personeel of leden van zijn gezin te begraven' is onduidelijk. Waarschijnlijk waren de eigenaren van de naast gelegen gronden, de heren A.A.H. Boissevain en Bosch van Drakenstein, niet gelukkig met de keuze van het eerste terrein. Mogelijk verwachtten zij waardevermindering van hun gronden. Onder intrekking van de vergunning van 3 november 1903 werd de vergunning al op 2 februari verleend!

BegraafplaatsoverzichtHet perceel dat in het kadaster aangeduid wordt als 'kerkhof' (kadastraal bekend gemeente Zeist, sectie A, nummer 1625) had een totale oppervlakte van 1325 vierkante meters. Aan drie kanten werd de begraafplaats omgeven door een brede strook grond. Aan de noordzijde lag een dennenbos dat qua oppervlakte iets groter was, 1570 vierkante meter, en eveneens aan Pleines toebehoorde. De eigenlijke begraafplaats had een oppervlakte van bijna 850 vierkante meter. Tussen de woningen Pleineslaan 66 en 68 ligt het vier meter brede toegangspad naar de begraafplaats. Dit pad is ongeveer honderd meter lang. In 1904 werd de eerste dode op de nieuwe begraafplaats begraven. Niet zeker is of het de tweejarige Gijsberta Pol, een dochtertje van een van zijn arbeiders, overleden in Amersfoort op 27 mei 1904, of haar moeder Woutertje Pol-van Engelen, overleden in Zeist op 25 juni van hetzelfde jaar, er als eerste ter aarde werd besteld.

 

Het familiegraf van de familie Pleines

In zijn brieven aan de gemeente schreef hij dat hij de begraafplaats wilde aanleggen voor zijn personeel en voor leden van zijn gezin. De droeve betekenis van die woorden zal hij misschien toen niet hebben vermoed. Zijn oudste zoon, Wilhelm Christoph, en zijn eerste echtgenote heeft hij hier ten grave gedragen. De zwartgranieten zerk die nu hun graf dekt, is niet de originele zerk maar is van latere datum. Mogelijk is deze zerk in het begin van de jaren vijftig van de 20ste eeuw geplaatst. Het grafschrift luidt: 'Hier rusten Wilhelm Christoph Pleines. Geboren 1 juni 1890. Overleden 20 october 1906. Het leven was hem Christus. Het sterven gewin. Filpp. 1:21' en daaronder staat: 'Adelheid Pleines geb. Prang. Geboren 29 october 1859. Overleden 10 januari 1912. Ziet ik maak alle dingen nieuw. Openb. 21:5'.

FamiliegrafIn het vak dat hij voor zijn gezin en familie had gereserveerd, liggen ook vier leden van zijn schoonfamilie begraven: (1) Wilhelm Prang, geboren 28 maart 1826, overleden24 december 1907; (2) Wilhelm Prang, geboren 2 juni 1901, overleden 23 maart 1922; (3) Gerhard Prang, geboren 24 maart 1871, overleden 16 november 1940, en (4) Sibilla Köppers, geboren 11 mei 1875, overleden 14 mei 1965. Pleines bracht in 1918 bij de oprichting van de N.V. 'Zeepfabrieken de Duif, voorheen Chr. Pleines' al zijn onroerende goederen in Den Dolder in, waaronder ook de begraafplaats. Kadastraal werd het perceel sectie A, nummer 1625 gesplitst in de nummers 2039 en 2040. Hij had wel het voorbehoud gemaakt, dat het gedeelte van de begraafplaats dat bestemd was tot begraafplaats van hem, zijn gezin en zijn familie (nummer 2040), daarvan was uitgezonderd. Met wederzijds goedvinden was dat voorbehoud niet in de notariële akte opgenomen. De nieuwe eigenaresse droeg in 1919 het bedoelde gedeelte van de begraafplaats weer over aan Christoph Pleines, die toen nog in Baarn woonde. De grootte van het perceel dat weer aan Pleines kwam, bedroeg 203 m². De N.V. 'Zeepfabrieken de Duif, voorheen Chr. Pleines' verplichtte zich voor zich en voor haar opvolgers tot een duurzaam behoorlijk onderhoud van de paden op de begraafplaats, alsmede voor de omheining en het toegangshek van de gehele begraafplaats. Voorts werd bepaald dat Pleines, zijn familieleden en zijn opvolgers gebruik konden maken van de toegangsweg tot de begraafplaats. De sleutel van het toegangshek was in bezit van de naamloze vennootschap, maar zou hen te allen tijde ter beschikking worden gesteld. 

De inrichting van de begraafplaats

Over de inrichting van de begraafplaats in de eerste decennia is weinig bekend. Zij was in ieder geval omgeven door een rasterwerk van twee meter hoogte, dat was wettelijk verplicht, en het bezat een afsluitbaar toegangshek. Het hek stond waarschijnlijk aan de oostkant. Bij het betreden van de begraafplaats lag het familiegraf van Pleines aan de linker hand. De begraafplaats was in vier vakken verdeeld, waarvan dus een vak gereserveerd was voor de familie Pleines. Een ander vak zou bestemd zijn geweest voor zijn werknemers en hun familieleden, weer een ander vak voor de bewoners van de buurtschap, maar die geen personeel waren, en het vierde vak voor bijzondere gevallen. De vakken waren van elkaar gescheiden door paden, in de akte uit 1919 'kruiswegen' genoemd. Er werd waarschijnlijk wel een begraafplaatsadministratie gevoerd, want volgens een opgave van 31 maart 1939 van de begrafenisondernemer J.W. van Zoeren uit Den Dolder werden er tot 15 juli 1937 64 lijken, namelijk van 24 volwassenen en van 36 kinderen en 2 in het familiegraf van Pleines en 2 in het familiegraf van Prang begraven. Het kan ook zijn dat Van Zoeren een inventarisatie op de begraafplaats heeft uitgevoerd, want in 1966 schrijft de Stichting Nederlands-hervormde Kerk Den Dolder: 'Wij beschikken echter over weinig of geen gegevens over de jaren, voorafgaande aan de overdracht.' Op een schetskaartje uit 1938 staat aangetekend dat een vak half bezet is, een tweede vak voor een kwart en een derde vak onbezet is. Het vak van de familie Pleines is daarbij buiten beschouwing gelaten. Over ruiming van graven is niets bekend.

Deel begraafplaatsVanaf de openstelling in 1904 tot 1932 werden op de begraafplaats in Den Dolder 62 personen begraven. Op 22 december 1932 werd G. van Luyn er als laatste begraven. In 1933 gaf de directeur van de N.V. Unilever te Rotterdam, die het bedrijf intussen had overgenomen, namelijk opdracht om geen teraardebestellingen meer toe te laten. Waar de doden uit Den Dolder daarna begraven werden, is bekend. In 1934 overleden in Den Dolder vier personen. Drie werden in Zeist op de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Woudenbergseweg begraven en één in De Bilt. In 1935 overleden er tien personen, vier van hen werden in Zeist op de Nieuwe Algemene Begraafplaats, twee in De Bilt, twee in Utrecht, één in Amsterdam en één in Velsen begraven. Ondanks het verbod van de N.V. Unilever werden tussen mei 1936 en 15 juli 1937 toch nog twee personen er ter aarde besteld. Waarschijnlijk werden zij bijgezet in een bestaand familiegraf.

De Willem Arntsz Stichting kreeg in 1911 verlof tot het aanleggen van een bijzondere begraafplaats op het terrein van de Willem Artsz Hoeve in Den Dolder. In 1936 werd de vergunning ingetrokken, omdat er nog nooit iemand begraven was. De meeste overledenen van de W.A. Hoeve werden in hun vroegere woonplaats begraven. Het kwam maar zelden voor dat overleden patiënten in Zeist werden begraven. In 1934 overleden 51 patiënten en in 1935 47. Van hen werden respectievelijk negen en elf in Zeist begraven. Door de oorlogsomstandigheden konden een twaalftal overleden patiënten in 1944 niet elders begraven worden. Zij werden daarom ter aarde besteld op de begraafplaats aan de Pleineslaan in het nog ongebruikte vak dat voor bijzondere gevallen was bestemd.

Gietijzeren paalOp de begraafplaats staan maar weinig grafmonumenten van vóór 1940. Het zullen er maximaal vijftien stuks zijn. Bijzonder is een ovale hardstenen grafsteen van circa 40 x 30 cm met daarop de tekst: 'Onze lieveling K.H. Mallon 1902-1908'. Het gaat hier duidelijk om een kindergraf. Opvallend is ook een graf waarom heen zes gietijzeren palen staan, die met elkaar verbonden zijn door een metalen ketting. Gelet op de stijlkenmerken dateert deze omheining uit de 19e eeuw en moet dus van elders afkomstig zijn.

Dat er niet veel oude grafmonumenten staan, heeft natuurlijk ook te maken met de materialen waarvan de grafmonumenten eertijds werden gemaakt en het natuurlijke verval. Aangezien de meeste bewoners van Den Dolder niet rijk waren, zullen zij eerder gekozen hebben voor houten gedenkborden en kruisen dan voor bijvoorbeeld hardstenen of marmeren zerken of stèles. Door de weersinvloeden hebben de stenen grafmonumenten veel geleden of zijn daardoor misschien zelfs verloren gegaan. Zeker als de beschadigingen niet worden hersteld. De hoge bomen die hun schaduw op de begraafplaats wierpen, werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gekapt in verband met de nabijheid van het vliegveld Soesterberg. 

Zorg van Pleines om 'zijn' begraafplaats

In een brief van 10 september 1935 schreef Pleines vanuit Schaan in Liechtenstein aan het gemeentebestuur van Zeist dat hij vernomen had dat op de begraafplaats in Den Dolder niet meer begraven mocht worden, terwijl hij haar juist voor de bewoners van Den Dolder had aangelegd. Volgens hem zou het onderhoud van de begraafplaats worden verwaarloosd. Hij vroeg het gemeentebestuur de begraafplaats als een algemene protestantse begraafplaats over te nemen van de N.V. Unilever. Voordat het gemeentebestuur hem kon antwoorden, overleed Pleines op 15 januari 1936. De afwikkeling van deze kwestie door hem aangekaarte kwestie heeft hij niet meer mee mogen maken. Ondanks dat hij in Den Dolder een familiegraf had gesticht, werd hij er niet begraven. De klacht over het slechte onderhoud was onterecht. De N.V. Unilever had juist wel iemand met het onderhoud ervan belast. In 1936 rapporteerde een politieagent dat de begraafplaats goed onderhouden werd, voorzien was van een nieuwe afrastering en afgesloten was met een ijzeren hek met een hangslot. De afrastering was nog in 1935 door de toenmalige beheerder, Petrus Windhouwer, aangebracht. Zijn voorganger was ene Van der Craats. Windhouwer had voorheen op de zeepfabriek gewerkt en nadat het bedrijf in 1931 van Den Dolder naar Rotterdam werd verplaatst, werd hij belast met het toezicht op onder andere de begraafplaats.

Kleine graftekensHet gemeentebestuur kon niet op de wens van Pleines ingaan. De gemeente kon alleen een algemene begraafplaats exploiteren, waarop de doden van elke godsdienstige richting kan worden begraven. Het gemeentebestuur onderkende ook niet de behoefte aan een algemene begraafplaats in Den Dolder. Het gemiddelde aantal doden per jaar bedroeg slechts twee. De weduwe van Pleines antwoordde: 'uit Den Dolder bereiken ons telkens berichten, hoezeer men het daar betreurt, dat de UNILEVER N.V. sinds 1932 het begraven aan Den Dolder verboden heeft, omdat het overbrengen der lijken naar Zeist met beduidende kosten gepaard gaat en de gelegenheid om de graven nog eens te bezoeken zooveel bezwaarlijker maakt.' Eventueel wilde zij wel toestemming geven om van de particuliere begraafplaats een algemene begraafplaats te maken. Het college van burgemeester en wethouders wees haar voorstel echter af.

Een algemene begraafplaats voor Den Dolder

In een rekest van juni 1937 verzochten meer dan honderd inwoners van Den Dolder aan de gemeenteraad de begraafplaats van de N.V. Unilever in eigendom over te nemen. Volgens het rekest zou Unilever de begraafplaats kosteloos aan de gemeente willen overdragen. Men voerde een achttal argumenten op waarom in Den Dolder weer begraven moest kunnen worden. De Vereniging 'Den Dolder vooruit' had ook verschillende wensen ten aanzien van de ontwikkeling van de buurtschap. Deze waren vervat in een brief van 13 juni 1938. Op de eerste plaats verzocht men om niet meer over een buurtschap te spreken, maar over het dorp Den Dolder.

Een andere wens betrof aanleg, toegangsweg, beplanting en bediening van de begraafplaats. Het raadslid J.H. Scheps (1900-1993) uit Den Dolder stelde bij de behandeling van de begroting voor 1939 vragen over de Dolderse begraafplaats. De N.V. Unilever, correcter is te spreken over Lever Brothers & Unilever N.V., liet op 21 november 1939 de directeur van Gemeentewerken van Zeist desgewenst weten dat de rekwestranten abuis waren. Unilever was wel bereid de haar toebehorende begraafplaats (sectie A, nummer 2039) kosteloos af te staan en ter uitbreiding van de begraafplaats ook het daarachter liggende dennenbos (sectie A, nummer 1626). De grootte van het perceel dat kadastraal als kerkhof bekend stond en dat haar eigendom was, had een oppervlakte van 1122 m² en het bosperceel was 1570 m² groot. Indien de gemeente over meer grond wilde beschikken voor uitbreiding van de begraafplaats, was men bereid tot verkoop. De directeur van Gemeentewerken adviseerde het college van burgemeester en wethouders op 15 januari 1940 en stuurde twee tekeningen als bijlagen mee.

Volgens plan A van dit advies zou het gedeelte waar begraven zou mogen worden minstens een oppervlakte moeten krijgen van 5600 m² en afgesloten worden met een hek. Verder moest een nieuwe toegangsweg met een breedte van zes meter met een toegangshek aan de Pleineslaan, een plantsoen, parkeerruimte voor auto's en stalling van fietsen en een woning voor de doodgraver en een wachtlokaal voor de begraafplaats moeten worden aangelegd c.q. gebouwd. Om de uitbreiding te realiseren zou circa 6950 m² moeten worden aangekocht. De kosten van dit plan, waarbij een volwaardige begraafplaats werd aangelegd, werden geraamd op 29.175 gulden.

Volgens plan B zou alleen de oppervlakte van de bestaande begraafplaats met het daarachter liggende dennenbos worden uitgebreid en een nieuwe toegangsweg worden aangelegd. In dit plan kwam de ingang op het nieuwe gedeelte te liggen. De directeur van Gemeentewerken achtte de uitbreiding die bij uitvoering van dit plan echter onvoldoende. In beide plannen werd de nieuwe toegangsweg een 75 meter in westelijke richting verlegd. Het aantal inwoners van het deel van de gemeente Zeist ten noorden van de Amersfoortseweg werd geschat op 2500. De directeur van Gemeentewerken concludeerde in zijn advies: 'Het bovenstaande overwegende komt te meer de vraag naar voren of het inrichten van een dergelijke begraafplaats in het algemeen belang, van technisch standpunt gewettigd is. Er is, ook in ons land, een streven merkbaar naar centralisatie van begraafplaatsen. Men acht deze centralisatie door de verbeterde transportmiddelen mogelijk en uit meer dan één overweging gewenscht. Met dit streven echter is het onderhavige ontwerp in strijd. Niettegenstaande blijkens meergenoemd adres, een honderdtal ingezetenen van Den Dolder een begraafplaats aldaar gewenscht oordeelt, dient bovendien m.i. ernstig te worden overwogen of de bewoners van Den Dolder, zoal thans, ook op den duur inderdaad aan een dergelijke begraafplaats de voorkeur zullen blijven geven boven die aan den Woudenbergschestraatweg, of aan een elders in de gemeente meer centraal gelegen begraafplaats. Van psychologisch standpunt lijkt mij zulks betwijfelbaar. Een ruime, in het bosch gelegen, fraai aangelegde en goed ingerichte begraafplaats zal voor menigeen het bezwaar van een wat grooteren afstand componseeren.' De afstand van Den Dolder tot de begraafplaats aan de Woudenbergseweg bedraagt ongeveer 8 km. Hij adviseerde niet tot de stichting van een begraafplaats in Den Dolder over te gaan. Het college van burgemeester en wethouders legde die brief voor aan de commissie Openbare Werken. De commissie was daarentegen in haar advies van 7 november 1940 wel van mening dat er in Den Dolder behoefte aan een algemene begraafplaats was. De commissie vond dat de particuliere begraafplaats van Pleines, die zo vlak bij de gemeentegrens lag, daarvoor niet geschikt en adviseerde om voor de drie buurtschappen Den Dolder, Bosch en Duin en Huis ter Heide een centraal gelegen terrein te zoeken. Woningbureau Metelerkamp uit Zeist bood op 2 juli 1940 de buitenplaats 'Fulnaho', gelegen tussen de Dolderseweg en de Vossenlaan, voor dat doel te koop aan. Naar de mening van de directeur van Gemeentewerken was dat grondstuk niet geschikt en wenste daarover dan ook niet in onderhandeling te treden.

Stichting 'De Nederlandsch Hervormde Kerk te Den Dolder' koopt de begraafplaats

Kadastraal werden enkele percelen grond van de N.V. 'Zeepfabrieken de Duif, voorheen Chr. Pleines', waaronder de begraafplaats en het meerdere malen genoemde dennenbos, samengevoegd tot één perceel en werd in het kadaster vermeld als sectie A, nummer 2551, ter grootte van 4785 m². Pleines en na zijn dood zijn erfgenamen bleven mede-eigenaar van 203 m² (voorheen kadastraal bekend sectie A, nummer 240). Op 5 december 1944 verkocht de naamloze vennootschap 'N.V. Koninklijke Zeepfabrieken De Duif, voorheen Chr. Pleines' de begraafplaats en het daarbij behorende terrein aan de stichting 'De Nederlandsch Hervormde Kerk te Den Dolder', met uitzondering van het perceel van 203 m² dat eigendom was van de familie Pleines. Voor de bestaande begraafplaats moest het symbolische bedrag van één gulden worden betaald en voor het aangrenzende terrein 915,75 gulden.

In de akte werd een achttal voorwaarden opgenomen. Zo werd bepaald: '(4) De koopster verbindt zich om het gekochte voor haar rekening volgens plaatselijk gebruik af te rasteren en rond het geheele kerkhof een dubbele rij boomen, welke ook in den winter groen blijven, te planten en te onderhouden. (5) Het terrein moet gebruikt worden als kerkhof of als terrein daarvoor gereserveerd blijven. Alle wettelijke voorschriften betreffende kerkhoven en begraafplaatsen, rustende op het bestaande kerkhof, benevens de verplichtingen ten opzichte van het familiegraf Pleines en het onderhoud der overige graven, zijn van heden af voor rekening en ten laste van de koper. Voor het bijzetten van familieleden in reeds bestaande familiegraven zullen geen grafrechten mogen worden berekenend. Op het kerkhof zullen menschen van elke gezindte mogen worden begraven.'

De stichting 'De Nederlands Hervormde Kerk te Den Dolder', de nieuwe eigenaresse, verzocht het gemeentebestuur op 29 november 1945 zijn medewerking te geven tot het verkrijgen en onderhouden van een doelmatige en passende inrichting en aanleg van de begraafplaats aan de Pleineslaan. Het gemeentebestuur besloot op 8 juni 1946: 'Na overlegging exploitatierekening bereid aanvrage om subsidie in overweging te nemen.' In zijn advies van 26 februari 1946 stond de directeur van Gemeentewerken positief tegenover de plannen tot restauratie en inrichting van de verwaarloosde begraafplaats aan de Pleineslaan. Evenals in 1940 schreef hij ook nu dat centralisatie van begraafplaatsen zoveel mogelijk moest worden nagestreefd, maar de zelfstandige ontwikkeling van Den Dolder maakte de behoefte aan eigen publieke diensten en voorzieningen wel groter. Het door de dienst Gemeentewerken ontworpen plan tot uitbreiding en inrichting van de begraafplaats hield de aanleg van 228 huur- en eigen graven, 9 familiegraven en 27 kindergraven in. Er zouden minstens 792 lijken kunnen worden begraven. Verder was een lijkenhuisje met bergplaats en een voor het publiek afsluitbaren, verharde toegangsweg met een plein en plantsoen gepland. De begraafplaats zou volgens dat plan worden omgeven met een twee meter hoog hek van betonnen palen met spandraden en gaas, waartegen aan de binnenkant een haag van coniferen geplant zou worden. De afrastering van het voorterrein vanaf de Pleineslaan tot aan de begraafplaats werd op één meter gesteld. Het bestaande toegangshek zou worden verplaatst. Volgens dit plan werd de toegang aan de Pleineslaan afgesloten met een vier meter breed monumentaal ingangshek. Het ontwerp toont een smeedijzeren afsluitbaar hek, bestaande uit twee draaibare delen, geplaatst tussen twee bakstenen pijlers. Op de pijlers zijn twee doodssymbolen ingetekend. Op de linker pijler staat een zandloper en op de rechter een (eiken?)tak met bladeren . Bij uitvoering van dat plan zou twintig jaar aan de behoefte van de buurtschap worden voldaan. De kosten werden geraamd op 16.776 gulden. Volgens de exploitatierekening zou het jaarlijks nadelige exploitatiesaldo tussen de 650 gulden en 950 gulden liggen. De directeur van Gemeentewerken stelde aan de wethouder van de Bedrijven voor een gemeentelijke subsidie van vijfhonderd gulden per jaar te verlenen. Het advies werd door het college van burgemeester en wethouders niet opgevolgd.

Ingang uit 1947 (foto René ten Dam 2002)Wel werd op 21 juni 1947 een vergunning verleend voor het maken van een nieuwe ingang naar de begraafplaats aan de Pleineslaan. Het ontwerp is van de hand van E.J. Oudenes. Het 2,88 meter smeedijzeren hek, waarvan de spijlen bekroond zijn met de Franse lelie en op de middelste spijl een kroontje is aangebracht, staat tussen twee bakstenen pijlers van 2,30 meter hoogte en is daarmee door middel van scharnieren aan de bovenzijde verbonden. Deze pijlers hebben een breedte van 44 x 44 cm en in de top een kraag van 55 x 55 cm. Een halve meter daarvoor staan twee lage bakstenen pijlers van 33 x 33 cm. De hoge en de lage pijlers zijn onderling verbonden met een halfrond aflopend bakstenen muur, waarvan de breedte 22 cm bedraagt. De totale breedte van het toegangshek bedraagt vijf meter. De door Pleines aangelegde begraafplaats werd door de aankoop uitgebreid met het voorterrein en het achter de begraafplaats gelegen bos. Waarschijnlijk is in 1947 tevens de in 1935 aangebrachte afrastering om de oorspronkelijke begraafplaats verwijderd en ligt het grafveld als een eiland in het terrein. Dat het plan zoals door Gemeentewerken was opgesteld niet is uitgevoerd, omdat de wens bestond in Den Dolder een N.H.-kerk te bouwen en dat daar de voorkeur naar uit ging.

De directeur van Gemeenteweken maakt in zijn advies in 1946 melding van het feit dat door de meer bemiddelde bewoners van Bosch en Duin een vrij aanzienlijk gebruik werd gemaakt van de particuliere begraafplaats 'Den en Rust' aan de Frans Halslaan te Bilthoven. Hij begreep ook dat de eenvoudige bevolking van Den Dolder juist geen gebruik van die begraafplaats wilde maken. Daarom is het opmerkelijk dat het de uitdrukkelijke wens was van de heren Johannes Franciscus Franken (1890-1952) uit Bilthoven en Hendrik Jacob de Jong Schouwenburg (1871-1952) uit Bosch en Duin om in Den Dolder te worden begraven. De Jong Schouwenburg was de initiatiefnemer voor de bouw van de N.H. Maria Christinakerk (1952/1953) in Den Dolder. Op zijn grafsteen staat de bijbeltekst: 'Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. Mattheus 5:7'. 

'Voorportaal van een woestenij'

In de Nieuwe Zeister Courant van 19 september 1966 staat een ingezonden stuk van de Doldenaar Van Gorp. Hij schrijft onder andere: 'Als U de poort binnengaat, betreed U het voorportaal van een woestenij welke de entree reeds tot een grote ergernis maakt. Het pad is dik en hoog begroeid met lang gras en vele soorten onkruid. Aan het einde van dit pad bevindt zich de begraafplaats, waar talrijke inwoners van Den Dolder hun laatste rustplaats vinden.[…] Afgezien van de nieuwe graven, maakt het geheel 'n verwaarloosde indruk. Vele graven zijn slecht verzorgd. De beplanting is van die aard, dat men zich in een rimboe waant, waar nog niet veel mensen kwamen.' De heer Van Gorp had met zijn ingezonden stuk in de krant wel iets losgemaakt in de Dolderse gemeenschap. Op 8 oktober werd op de begraafplaats een schoonmaakactie gehouden. De Nieuwe Zeister Courant schrijft op 10 oktober 1966: 'Het was zaterdag een drukte van belang op de anders zo rustige Dolderse begraafplaats. Kort geleden werd in onze courant middels een ingezonden artikel van de hr. Van Gorp melding gemaakt van de staat van verwaarlozing, waarin de begraafplaats zich bevond. Het pleit voor de daadkracht van de Dolderse gemeenschap, dat men zelf het werk ter hand nam om hier iets aan te doen. De begraafplaats, die in 1944 door wijlen de heer Pleines voor het symbolische bedrag van ƒ 1,- aan de Stichting Nederlands Hervormde Kerk Den Dolder werd overgedragen, kon wegens de financiële nood van de Stichting niet goed worden onderhouden. Het onkruid tierde welig op de paden, die men vrijwel niet meer kon herkennen, alsmede tussen, op en om de graven. Om daar iets aan te doen zouden enkele tuinlieden er vele dagen aan moeten werken, hetgeen de Stichting niet kan betalen. De Stichting, die onder de kerkvoogdij ressorteert, heeft daarom een beroep gedaan op de Doldenaren om haar één zaterdag te helpen. De Doldenaren hebben die oproep begrepen en zaterdagmorgen kwamen ongeveer twintig mannen en een even groot aantal jongens om de laatste rustplaats van zovele plaatsgenoten in ere te herstellen. Bewoners van de Pleineslaan verschaften de harde werkers twee keer koffie om de moed er in te houden. Zelden zal er op een begraafplaats zoveel rumoer zijn geweest. De motor van een grasmaaimachine knetterde als een oordeel en vele vrolijke stemmen weerklonken op deze plaats, die anders een plekje bij uitstek van serene rust is. Nu werd er geschoffeld, geharkt, werden struiken en bomen gesnoeid om van de dodenakker een rustiek plantsoen om de graven heen te maken.'

Een brief van 11 mei 1966 van de Stichting Nederlands-hervormde Kerk te Den Dolder over de verwaarloosde begraafplaats leidde tot regelmatig overleg tussen het stichtingsbestuur c.q. kerkvoogdij en het gemeentebestuur. Er vonden meerdere besprekingen plaats. Deze gingen over de kosten van het onderhoud, een financiële bijdrage in het exploitatietekort door de gemeente, over overname door de gemeente, over instandhouding of sluiting van de begraafplaats. In een brief van 6 juni 1967 laat de Hervormde Gemeente Den Dolder aan het gemeentebestuur weten dat men voorlopig niet meer over deze kwestie wilde onderhandelen. Men voelde zich min of meer verplicht ten opzichte van de autochtone bevolking van Den Dolder de begraafplaats in stand te houden. De financiële positie van de kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente was anders verre van rooskleurig. De kosten van de aanschaf van een nieuwe draagbaar waren te begrotelijk. In 1969 kreeg de kerkvoogdij op verzoek een draagbaar van de gemeente Zeist gratis in bruikleen. Desondanks betaalde men voor een begrafenis slecht 50 gulden.

De kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente van Den Dolder verzocht in 1977 toestemming om de begraafplaats in zuidelijke richting uit te breiden tot op een afstand van vijftig meter van de dichtstbijzijnde woning aan de Pleineslaan. Op grond van de Wet op de lijkbezorging werd de gevraagde toestemming geweigerd. Bovendien was volgens het vigerende bestemmingsplan Bosch en Duin Noord de grond bestemd voor latere stadsuitbreiding. Tegen deze weigering werd geen bezwaar aangetekend bij gedeputeerde staten, hetgeen op grond van de Wet op de lijkbezorging mogelijk was.

Gemeentelijk monument

De gemeenteraad besloot op 6 december 1988 deze begraafplaats op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. De omschrijving zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld luidt:'Tussen Pleineslaan 66 en 68 staat het toegangshek van het "Stillehofje", de erachter in het bos gelegen begraafplaats van den Dolder, die door de zeepfabrikant Chr. Pleines in 1904 is aangelegd. Deze rechthoekige begraafplaats ligt aan het eind van een door coniferen geflankeerd bospad en bevat 9 rijen graven. Het padenstelsel heeft de vorm van een Latijns kruis. De begraafplaats is van lokaal-historische betekenis en bezit een stedenbouwkundig waardevolle struktuur. In historisch opzicht is het graf van W.C. Pleines (1890-1906) en A. Pleines-Prang (1859-1912), zoon resp. vrouw van de zeepfabrikant, van belang. De begraafplaats is buiten gebruik en sterk verwaarloosd.' 

Kaalslag in verband met de strijd tegen exotische boomsoorten

Recentere graven (foto René ten Dam 2002)Nadat een aantal Doldenaren in 1966 de begraafplaats een goede onderhoudsbeurt had gegeven, ontstond in de loop van de jaren toch weer achterstallig onderhoud. Mede op initiatief van de Historische Vereniging Den Dolder werd in 2000 weer door vrijwilligers onderhoud uitgevoerd. Formeel was de Hervormde Gemeente verantwoordelijk. Het Utrechts Landschap, eigenaar van het omringende bos, bood zijn medewerking aan. Veertig coniferen - ook die op het toegangspad - en honderd sparren en eiken die op de begraafplaats stonden, werden gekapt. Het beleid van het Utrechts Landschap is het kappen van exotische boomsoorten in de bossen en daaronder vallen Douglassparren en Canadese eiken. Het kappen van de bomen, bij exotische boomsoorten spreekt men over dunning, heeft in Den Dolder nogal wat commotie veroorzaakt. Een omwonende beschreef de situatie als volgt: 'Aan de Pleineslaan staat een hek waarachter een klein paadje tussen de huizen naar het Pleinesbos loopt. En opeens is daar een begraafplaatsje in het bos. Beter gezegd: het was in het bos. 't Hofje ligt nu op een open, kale plek.' Vanuit de huizen kan men nu op de begraafplaats kijken. De eigenaresse was blijkbaar een voorwaarde uit het koopcontract uit 1944 vergeten, want daarin wordt onder punt 4 bepaald: 'De koopster verbindt zich om het gekochte voor haar rekening volgens plaatselijk gebruik af te rasteren en rond het geheele kerkhof een dubbele rij boomen, welke ook in den winter groen blijven, te planten en te onderhouden.' Aan de aan de vergunning van 2 februari 1904 verbonden voorwaarde dat de begraafplaats 'door een muur, heining, rasterwerk of heg, ter hoogte van ten minste twee meters worde afgesloten' wordt ook niet meer voldaan. De nu geplante beukenhaag kan nooit aan die eis voldoen. Het karakter van een intieme begraafplaats is in ieder geval verloren gegaan. 

De naam 'Het Stille Hofje'

De begraafplaats wordt 'Het Stille Hofje' genoemd. Wanneer en door wie werd die poëtische naam aan de begraafplaats gegeven? Deze naam staat in ieder geval niet op een naambord bij het toegangshek. Ten tijde van Christoph Pleines werd deze naam nog niet gebruikt. In het gedenkboek dat ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de zeepfabriek 'De Duif' in 1914 werd uitgegeven, wordt over de begraafplaats het volgende vermeld: 'Gaan we nu den weg op, die vóór de woningen langs loopt, dan moet ik U met zekeren weemoed wijzen op 't dennenboschje, daar zoo rustig gelegen ginds in de verte, en waar het inderdaad dan ook ál rust is, want 't is eene laatste rustplaats,...... Binnen in dat boschje ligt de begraafplaats.' In zijn brief uit 1935 aan het gemeentebestuur van Zeist spreekt Pleines over 'kerkhof'. Daaruit mag worden geconcludeerd dat hij de naamgever niet is, want anders had hij die zeker gebruikt. In de hiervoor aangehaalde notariële akten uit 1919 en 1944 wordt de naam ook niet gebruikt. In de correspondentie over de begraafplaats die in de loop der jaren gevoerd is tussen het gemeentebestuur met onder andere het bestuur van de stichting 'De Nederlandsch Hervormde Kerk te Den Dolder' c.q. de kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente wordt meestal gesproken over de begraafplaats in Den Dolder of over de begraafplaats aan de Pleineslaan. Is de naam dan misschien in de volksmond ontstaan? Of is soms een schrijver/dichter de naamgever? De naam 'Het Stille Hofje' duikt voor het eerst op in een artikel in het Zeister Nieuwsblad van 1 augustus 1952. Onder dat artikel staat het initiaal 'S.'. De schrijver van het krantenartikel is hoogstwaarschijnlijk L.J. Staal. Van zijn hand is onder andere de publicatie 'Van ketelhuis tot kerkgebouw. Oorsprong, wederwaardigheden en groei van het kerkelijk leven te Den Dolder' (1953) en hierin noemt hij 'het kleine kerkhofje in de heide' 'Het Stille Hofje'. Waarschijnlijk is Staal dan ook de bedenker van de naam.

In 1999 werd het herstel van de begraafplaatst ingezet door een aantal vrijwilligers. Datzelfde jaar brachten enkele Duitse familieleden van Pleines een bezoek aan Den Dolder op verzoek van de Historische Vereniging Den Dolder.

Op 16 juli 2006 werd de begraafplaats door het kerkbestuur overgedragen aan Stichting Het Stille Hofje, waarbij de naam alsnog in notariële aktes werd vastgelegd.

 

Bronnen

  • Archief der gemeente Zeist, 1599-1905, inventarisnummer 286, agendanummer 375/48B; Gemeentearchief Zeist (GAZ)
  • Archief der gemeente Zeist, 1906-1945, inventarisnummers 1596, 1597 en 2400; GAZ
  • Archief der gemeente Zeist, 1966-1975, dossiernummer 9884; GAZ
  • Archief van de dienst Gemeentewerken, dossiernummers II 45b en II 206; GAZ
  • Bevolkingsregister van de gemeente Zeist; GAZ
  • Kadastrale registers; GAZ
  • Dossier -1.733.21 Pleineslaan (begraafplaats), 1947/heden; dossiernummer BWT 7856; Productgroep Middelen gemeente Zeist
  • Historisch-topografische documentatieverzameling, map: Openbare gezondheid; GAZ
  • V.A.M. van der Burg en R.P.M. Rhoen, De gemeenteraad van Zeist, 1851-1976, Zeist 1994
  • K.W. Galis, Huis ter Heide, Bosch en Duin en Den Dolder in oude ansichten, Zaltbommel 1980
  • Het ontstaan en de groei van Den Dolder, Den Dolder 1977
  • v. R.2 , De zeepindustrie in beeld, zooals die wordt uitgeoefend in de Koninklijke zeepfabrieken "De Duif" van Chr. Pleines [te] Den Dolder (prov. Utrecht), Den Dolder 1914

 

Noten

  1. Volgens zijn achternicht M. van Hoogevest-Schut moest Pleines vanwege het feit dat hij niet akkoord wilde gaan met een bepaalde fiscale regeling, Nederland verlaten en mocht hij er niet meer terugkeren
  2. De initialen 'v. R.' staan waarschijnlijk voor 'E. van Ruller'. Deze was procuratiehouder, later adjunct-directeur van de zeepfabriek 'De Duif'.

 

 


Geschreven: 01 september 2002
Aangepast: 26 december 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Groningen

 

OterdumOoit meende men het haven- en industriegebied van Delfzijl zo te moeten uitbreiden, dat er geen plaats meer was voor een aantal dorpen. Eén van de dorpen, die moest wijken, was Oterdum, dat in z'n bloeitijd zo'n 200 inwoners telde. Dorp met kerk en kerkhof waren gebouwd tegen de dijk. De kerk zelf stak boven de dijk uit. Soms raasde de storm terwijl de kerkdienst bezig was. En het schijnt gebeurd te zijn, dat de dominee op de kansel, uitkijkend over zee, zag dat een schip in nood was. Midden in de preek riep hij uit: "Het is goed dat we hier zijn, broeders, want daarginds vergaat een schip." Geen reden voor het kerkvolk het gebouw te verlaten en zich te wijden aan reddingswerkzaamheden. Ze wisten: de resten spoelen straks vanzelf wel aan en dan eerst is er werk aan de winkel. Want jutten deden ze stuk voor stuk.


Geschreven: 01 september 2002
Aangepast: 12 januari 2022
Auteur: René ten Dam
Categorie: Noord-Brabant

 

De eerste vermelding van een stenen kerk in Breda komt men tegen in een oorkonde uit 1269. Uit een oorkonde van Elisabeth van Breda en Arnoud van Leuven, de toenmalige Heer van Breda, blijkt dat in het midden van de dertiende eeuw de toen bestaande kerk door een nieuwe werd vervangen. De volgende belangrijke gebeurtenis vindt plaats in 1303. Raso II van Gaveren, Heer van Breda, verheft de kerk tot een collegiale kerk. Vanaf dat moment wordt de kerk bestuurd door een kapittel, eerst bestaande uit acht en later uitgebreid tot twaalf of dertien kanunniken. Als halverwege de veertiende eeuw, Jan I van Polanen zich als Heer van Breda ook daadwerkelijk vestigt in Breda begint voor Breda en voor de Grote Kerk een bloeiperiode. Het hoogtepunt van deze bloeiperiode wordt bereikt tijdens de heerschappij van Engelbrecht II van Nassau en Hendrik III van Nassau, beide hoge functionarissen aan het Habsburgse Hof. 


Geschreven: 25 juli 2002
Aangepast: 10 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Groningen

 

Ingang grafkelderTijdens restauratiewerkzaamheden in 1970 ontdekte men onder de vloer van de kerk van Oldehove (Groningen) twee grafkelders, waarin zich in de ene slechts een houten reiskoffer bevond, maar in de andere een tombe met daarom heen een groot aantal beenderen en schedels. Deze waren overblijfselen uit houten kisten, die stonden opgesteld rond de stenen tombe, maar nu waren vergaan. De zandstenen tombe - die in delen ter plekke in elkaar moet zijn gezet, gezien de beperkte toegang - bevatte restanten van een houten kist, waarin een loden kist was geplaatst. Bij de ontdekking van de tombe in deze grafkelder moest men constateren, dat men zich ooit met geweld toegang tot de tombe heeft willen verschaffen, waarschijnlijk om kostbaarheden te roven. De helften van de deksel waren duidelijk met geweld van elkaar gerukt.


Geschreven: 25 juli 2002
Aangepast: 09 juni 2022
Auteur: R.P.M. Rhoen
Categorie: Utrecht

 

De meeste doden werden in vroegere tijden bijna altijd in of om een kerk begraven of op een begraafplaats buiten de kom. Er zijn particulieren geweest die een eigen begraafplaats op een voor hen dierbare plaats hebben gesticht. Het bekendste familiegraf in Nederland is de grafkelder van de Oranjes in de Nieuwe Kerk in Delft. Dichter in de buurt op de Utrechtse Heuvelrug staat in het park bij kasteel Doorn een in 1942 gebouwd mausoleum, waarin de Duitse ex-keizer Wilhelm II ligt, en in Leersum staat de in 1818 gebouwde graftombe van de familie Nellesteyn. Ook in Zeist lag op een van de buitenplaatsen een familiegraf. Het was het graf van de familie Nepveu-Roosmale. Zij die hier begraven lagen, waren nooit zo belangrijk als de Duitse keizer en het familiegraf was ook niet zo monumentaal als dat in Leersum. Over het graf in Zeist hing wel een waas van geheimzinnigheid. Zeker sinds de familie Nepveu van Dijnselburg was vertrokken en er niet meer begraven werd. Over de grafkelder deden allerlei verhalen de ronde. Zo werd er verteld dat het er spookte. Bijna 75 jaar geleden werd het 'Graf van Nepveu' geruimd in verband met een wegverbreding. De sluier van de geheimzinnigheid werd opgeheven en haast niemand die nu nog iets van de grafkelder afweet.


Geschreven: 22 juli 2002
Aangepast: 15 januari 2022
Auteur: René ten Dam
Categorie: Utrecht

 

De Domkerk in Utrecht moet vroeger rijk zijn geweest aan een aantal grote en imposante graftombes. Zo zouden er tussen de drieëntwintig en achtentwintig bisschoppen zijn begraven in de kerk, hun aantal is echter niet precies bekend. Tot in de tiende eeuw werden bisschoppen uitsluitend in de Salvatorkerk begraven. Bisschop Balderik herstelde de door de Noormannen beschadigde Dom en vond er als eerste bisschop in 976 zijn laatste rustplaats. Ook is zeker dat bisschop Hendrik van Vianden, die in 1254 de eerste steen legde voor de bouw van de gotische Dom, in de Domkerk is begraven.


Geschreven: 15 januari 2002
Aangepast: 08 januari 2022
Auteur: R.P.M. Rhoen
Categorie: Utrecht

 

Vestiging van de congregatie in Zeist

Mgr. A.I. Schaepman (1815-1882) [1] stichtte op 13 augustus 1873 de Congregatie van de Fraters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart. De congregatie is beter bekend als de Fraters van Utrecht. De taak van de congregatie ligt op het gebied van de opvoeding en het onderwijs van de jeugd. Door de groeiende belangstelling voor de congregatie was het moederhuis St.-Gregorius aan de Herenstraat in Utrecht rond 1925 veel te klein geworden om de fraters en de kwekelingen goede huisvesting te kunnen bieden. Het aantal bewoners bedroeg destijds ongeveer 230. Ten behoeve van nieuwbouw kocht de Sint Gregorius Stichting in 1926 een circa dertien hectare groot terrein in Zeist, gelegen aan de Kroostweg en verder begrensd door de Noordweg en de Schorteldoeksesteeg. Deze gronden behoorden oorspronkelijk tot de boerderij 'De Blauwe Schorteldoek' [2]. Het terrein was aangekocht met het doel er een kweekschool met internaat voor de opleiding van fraters te vestigen en later eventueel het moederhuis van de congregatie. In april 1931 had de aanbesteding plaats en een maand later werd met de bouw van het schoolgebouw begonnen. Eind november werd de eerste steen voor de bij de kweekschool behorende kapel gelegd. Op 27 juli 1932 werd de kapel geconsacreerd en op 14 augustus van hetzelfde jaar werd de aan St.-Jozef toegewijde kweekschool geopend. De kweekschool in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid was voor Zeister welstandsnormen revolutionair. "Het ontwerp zich slecht verdraagt met Zeisters landelijke bebouwing ter plaatse", aldus de welstandscommissie in haar advies van 5 januari 1931. Het gebouw was een ontwerp van de Utrechtse architect Willem A. Maas. Voor het aanbrengen van religieuze muurschilderingen in de kapel werd de uit Limburg afkomstige schilder Charles Eyck aangetrokken. Beiden maakten in die jaren deel uit van 'De Gemeenschap', een beweging van vooruitstrevende jonge katholieke kunstenaars.